|
Gilbert Declercq ontwierp nieuwe kostuums
voor de Praalstoet van de Gouden Boom
Portret van een artistieke duizendpoot…
Het scenario van de Praalstoet van de
Gouden Boom mag dan zo ijzersterk zijn dat het nauwelijks aan slijtage
onderhevig is, kostuums en rekwisieten lijden uiteraard wél onder de tand
des tijds en zijn dus bij momenten aan hernieuwing toe. Daarenboven moeten
voor nieuwe groepen ook nieuwe kostuums worden ontworpen. Daar tekent
Gilbert Declercq verantwoordelijk voor, een geboren Oost-Vlaming die
letterlijk ook een Bruggeminnaar werd en dat niet alleen omdat hij is gehuwd
met Katrien Laloo, kleindochter van de Brugse beeldhouwer Rik Laloo.
Gilbert Declercq (° Zwijnaarde 1946)
is wat men noemt een artistieke duizendpoot. Begenadigd met een zeldzame
grafische aanleg tekende en schilderde hij een indrukwekkend palmares bijeen
die tot internationale erkenning leidde. Ook het ontwerpen van
toneelkostuums, rekwisieten en praalwagens staat daarbij op het
visitekaartje. Dit veelzijdige talent was ook Brugge niet ontgaan en toen de
praalstoet voor de editie in “cultureel hoofdstadjaar” 2002 werd herzien,
werd Gilbert Declercq prompt binnengehaald voor het ontwerpen van de
kostuums van enkele nieuwe en uitgebreide groepen. Hij deed dat zo
voorbeeldig dat hij voor de praalstoet van dit jaar andermaal aan het werk
werd gezet. Als u in augustus a.s. bijvoorbeeld de groep “Vreemde Naties”
ziet voorbij trekken, weet dan dat ze door Gilbert Declercq werden
uitgedost.
Intussen werkte Gilbert Declercq
overigens niet alleen voor de praalstoet van de Gouden Boom, ook in de
aankleding van het Reiefeest anno 2004 had hij een aandeel en voor de stoet
die volgend jaar door de straten van Gent trekt n.a.v. het 200-jarig bestaan
van de Floraliën ontwierp hij niet alleen kostuums, maar ook nog eens zegge
en schrijve tien praalwagens.
Gilbert Declercq : “Dat zijn
opdrachten zoals ik ze graag heb. Het vergt boeiend opzoekwerk want in een
geschiedkundige stoet moet alles zoveel mogelijk historisch juist zitten,
maar toch blijft er nog een marge over voor de eigen creativiteit. En
uiteraard streelt het de ijdelheid te weten dat je creaties straks door
duizenden mensen worden bekeken.”
Zich onderdompelen in bibliotheken om
informatie bij mekaar te sprokkelen, het zat er al vroeg in bij Gilbert
Declercq, die tevens al snel een zeldzaam tekentalent etaleerde. Zoals meer
het geval is met tieners, geraakte Declercq al op jeugdige leeftijd
gefascineerd door treinen, auto’s en vliegtuigen. In boeken en tijdschriften
harkte hij allerhande illustratiemateriaal bij mekaar om er ten slotte een
heus stripverhaal van te maken : De Douglas Skyrocket. Met al zijn
jeugdige overmoed stuurde hij het verhaal op naar het jongerenblad Ons
Volkske en zag het warempel ook nog verschijnen. Gilbert Declercq was
toen – jawel – zegge en schrijve 16 jaar ! Zijn vreugde kon helemaal niet
meer op toen hij er ook nog voor gehonoreerd werd met de ronde som van 3.000
fr., in 1962 een behoorlijk bedrag, zeker voor een teenager.
Zo hij er ooit nog mocht aan
getwijfeld hebben, stond zijn besluit nu helemaal vast : hij zou tekenaar
worden. En meldde zich als leerling aan in de Gentse academie. Daar maakte
hij kennis met de veelvuldig gelauwerde Raoul Servais, die niet alleen zijn
leraar, maar ook zijn mentor zou worden. Servais overtuigde hem immers om,
na vijf jaar “Sierkunsten” ook nog de driejarige opleiding “Animatiefilm” te
volgen waardoor Gilbert Declercq de allereerste gediplomeerde mannelijke
animatiefilmer van de Gentse academie werd.
Goed, daar sta je dan met een fraai
diploma onder de arm, maar dat garandeert uiteraard nog geen brood op de
plank. Hij solliciteerde her en der en kon daarbij blijkbaar toenmalig
hoofdredacteur Johan Anthierens overtuigen, want die haalde hem in huis voor
de illustraties in Mimosa. Later zouden ook nog de damesbladen
Rijk der Vrouw en Liblle/Rosita volgen.
Het scherpte Declercqs passie aan voor
de symbiose van schilder- en illustratiekunst en daarom besloot hij de
opleiding Famous Artists Course te volgen, een drie jaar durende
Amerikaanse cursus die werd samengesteld door ’s werelds beste
illustratoren. In 1984 zou hij niet toevallig als artist member
worden opgenomen in de prestigieuze Society of Illustrators, de
Amerikaanse beroepvereniging voor illustratoren. Dit zou later leiden tot
tal van illustraties in het wereldwijde verspreide Reader’s Digest.
Strips tekenen bleef Declercq echter
fascineren en dus baande hij ook in die sector gestaag zijn weg. Hij deed
het met zoveel vakmanschap dat hij ooit werd gevraagd om in New York te gaan
werken, maar Declercq wees het aanbod af. Leven in zo’n wereldstad leek hem
niet aanlokkelijk…
Declercq bleef dus braafjes in eigen
land, waar hij met Mach I – jawel, opnieuw en verhaal vol vliegtuigen
– terecht kwam in ’t Kapoentje en Hugo des Ombres in
dagelijkse afleveringen gepubliceerd zag in Le Soir. Tussenin zou hij
ook zeven jaar lang de cover van het stripweekblad Ohee vorm geven,
tekende hij de reeks “Avalon Air” voor Robbedoes en haalde hij het
weekblad Kuifje met de Jody Barton, een strip die dit keer
niet over vliegtuigen, maar over schepen ging. Nog op zijn palmares staat de
reeks Rud Hart – jawel, een piloot – in Kuifje en, in opdracht
van de Standaard Uitgeverij, Oliver Twist, een stripversie van de
klassieker van Charles Dickens.
Declercq kon er bij dit alles zijn
vakmanschap als tekenaar met vlijmscherpe accuratesse botvieren. Dat ontging
blijkbaar ook de befaamde Duitse treintjesbouwer Märklin niet, want die
verzocht hem de affiche te tekenen voor de tentoonstelling bij de opening
van het nieuwe Märklinmuseum in Göppingen. De geschiedenis van de
ruimtevaart illustreerde Declercq dan weer in een adembenemende tekening
voor de jaarkalender 1994 van Dai Nippon, Japans grootste grafisch bedrijf,
dat daartoe een wedstrijd had uitgeschreven onder het wereldkruim van de
illustratoren.
Maar we gaven het reeds aan : Gilbert
Declercq is een artistieke duizendpoot en dus mag ook zijn talent als
schilder en aquarellist niet onvermeld blijven. Hij volgde daartoe lessen in
de Schule des Sehens in Salzburg, een land dat hem overigens nooit
meer zou loslaten. Tentoonstellingen in Insnsbruck, Wenen en Dornbirn waren
daar gevolgen van. Andere buitenlandse exposities hadden plaats in Londen
(The Mall Galeries), Hamburg en New York. En tussendoor won hij ook nog
verschillende internationale prijzen voor zijn aquarellen, o.m. bij The
International Artists in Watercolor Competition waar de jurering in
handen lag van de prestigieuze Engelse Royal Watercolor Society.
Dat Gilbert Declercq naast dit alles
ook nog een getalenteerd portretschilder is zal intussen allicht nog
weinigen verbazen.
Vlaanderen heeft er wel meer,
kunstenaars die wereldwijde erkenning afdwongen. Zeldzaam zijn echter de
artiesten die er ook nog zo bescheiden bij blijven als Gilbert Declercq. Het
directiecomité van de Praalstoet van de Gouden Boom mag er terecht prat op
gaan die gepolitoerd talent te hebben binnengehaald. |